Nederlands Thuis

> Home
        • meer informatie

        • leerboek
        • werkboek
        • programma op CD
        • begeleidingsdeel

        • achtergrond

        • nieuws
        • studies


        • site taalvaardigheden
        • Albert Sickler bv
        • Baroniecollege
        • links


Een innovatieve aanpak

Meer achtergrond




Kritische succesfactoren


Doelgroepen
Analfabeten
Het project "Nederlands Thuis" richt zich in eerste instantie op de doelgroep analfabeten.
Het project is ontstaan naar aanleiding van een behoefte die ontstond bij een wijkschool (rsg. G.K. van Hogendorp te Rotterdam) rond scholing aan oudkomers. Deze school is gelegen in de wijk Delfshaven, een typische wijk met veel oudkomers.


Om ook de groep vrouwen te bereiken waarvan bekend is dat er belemmeringen kunnen zijn bij het elders volgen van lessen
Om ook de groep vrouwen te bereiken die doorgaans thuis zit, werd een constructie bedacht om leerlingen als begeleider thuis in te zetten. Met name werd er gedacht aan meisjes die op deze wijze hun moeder les kunnen geven. Dit hield tevens in, dat er rekening gehouden moest worden met begeleiders zonder extra didactische scholing.


Ook wijkverenigingen
Al snel realiseerde men zich dat deze opzet ook geschikt is, om bijvoorbeeld vrijwilligers van wijkverenigingen als docent/coach te laten optreden. Zij kunnen de cursist thuis bezoeken, of de cursist kan naar een buurthuis komen. Het materiaal is immers zo ontwikkeld dat een niet-didactisch geschoolde als begeleider kan optreden. De begeleider kan dus ook een vrijwilliger uit de wijk zijn. Omdat alochtone begeleiders mogelijk zelf ook nog een taalprobleem kennen, zijn de instructies voor begeleiding in zeer eenvoudige, korte zinnen geformuleerd. Vaak gaat het om zinnen als:


“Start de computer, ga naar de inhoud van hoofdstuk 4 en klik op de knop waar 3 bij staat. Laat de cursist dit deel afwerken.”

(einde citaat)


Als eerste stap bij NT2-onderwijs
Het materiaal kan tenslotte ook gebruikt worden als eerste stap bij NT2-onderwijs, met name als het gaat om mensen die ons schrift niet kennen. Het kan dus ook om personen gaan die voor het eerst in Nederland zijn of komen. De totale duur van de cursus is ca. 4 - 5 maanden. Juist de beperkte omvang heeft zijn voordelen bij een eerste kennismaking. Het is voor cursisten erg belangrijk dat ze bij een eerste cursus succesvol zijn. Het project "Nederlands Thuis" houdt daar als cursus met het kenmerk "het nemen van een eerste drempel" duidelijk rekening mee.


Samenvatting
De cursus "Nederlands Thuis" is geschikt voor:

  • (1) oudkomers in het algemeen, zeker indien men analfabeet is;
  • (2) de groep vrouwen die moeilijk bereikbaar is in het bijzonder;
  • (3) mensen die in Nederland zijn of komen (dus ook nieuwkomers) en volstrekt onbekend zijn met ons schrift;
  • (4) mensen die al enige ervaring met ons schrift hebben maar in feite nog onbekend zijn met het Nederlands. Die groep zal sneller door de cursus heengaan. Maar ook voor die groep geldt dat een eerste drempel genomen moet worden en dat deze cursus daar in het bijzonder geschikt voor is.
De opzet van het materiaal is zo dat als begeleider kunnen optreden:
  • (1) leerlingen (leeftijd 14>);
  • (2) vrijwilligers


Overigens wordt op dit moment ook onderzocht hoe het materiaal bewerkt kan worden om het in het buitenland te gebruiken. Juist omdat inburgering in het land van herkomst van belang is en het materiaal zeer eenvoudig is, ligt de vraag voor de hand om dit onderzoek uit te voeren.


terug naar begin

Doelstelling
Zeer eenvoudige gesprekjes
Het project "Nederlands Thuis" richt zich op het nemen van een eerste drempel: de drempel om voor het eerst met de Nederlandse taal te beginnen. De duur van de cursus is ca. 4 - 5 maanden. Na afloop van die periode kunnen de deelnemers zeer eenvoudige “gesprekjes” voeren, zoals het kenbaar maken van wensen, elkaar begroeten, de weg vragen, een eenvoudig oordeel geven, enige sociale uitdrukkingen kennen bij eten en drinken, boodschappen doen, etc.
Ze kennen de letters. Ze hebben voor het eerst kennisgemaakt met schrijven. Het schrijfgedeelte in de cursus dient - we merkten het al eerder op - voor een groot deel om letters te leren herkennen. Door het schrijven leert men immers sneller de vorm van een letter te onthouden.

In de eerste hoofdstukken (1 t/m 5) gaat het om zeer eenvoudige klankzuivere woorden.


Het verkrijgen van een minimale woordenschat
Daarnaast wordt met behulp van de CD-rom een bepaalde woordenschat opgebouwd. In feite gaat het om een minimale woordenschat. Uiteraard gaat het om de belangrijkste woorden voor dagelijks gebruik. Na afloop van de cursus beschikt de cursist over een woordenschat van ca. 500 woorden.

Een groot deel van de cursus gaat zonder de computer: het gaat dan om het trainen van communicatieve vaardigheden
Een groot deel van de lessen wordt zonder computer gedaan. Het gaat hierbij om training van communicatieve vaardigheden. Zo moet de cursist in les 1


karakteristieke zinnetjes uit het hoofd leren die van pas komen bij een theevisite. Er wordt precies aangegeven welke zinnetjes uit het hoofd moeten worden geleerd.



terug naar begin

Gezien de eenvoud en de duur is het een ideale startcursus voor NT2-onderwijs
"Nederlands Thuis" kent een beperkte omvang en is zeer eenvoudig van opzet. Met name is er gekeken naar de groep analfabeten die “vrijwel een leven lang geen onderwijs hebben genoten”. Juist vanwege de relatief korte duur en de eenvoud is "Nederlands Thuis" een aantrekkelijke cursus om als startcursus in een NT2-traject te fungeren.

Kritische succesfactoren
Het welslagen van de cursus hangt van een aantal factoren af.

  • Er moet altijd een coördinator zijn die het gehele project aanstuurt.
  • Van tevoren moet er duidelijkheid zijn hoe de cursisten en begeleiders geworven moeten worden;
  • Van tevoren moet - bijvoorbeeld op grond van ervaring - duidelijk zijn dat die werving ook succesvol zal zijn. Voor de potentiële cursisten is het goed om te weten dat het materiaal zeer eenvoudig is.
  • De projectcoördinator stuurt de begeleiders aan. Deze ondersteunen op hun beurt de cursist bij het volgen van de cursus. In eerste instantie zorgt de coördinator ervoor dat de beoogde begeleiders de juiste instructie krijgen. Het ROC Baronie College Breda kan deze instructie verzorgen.
  • Indien de cursussen worden gegeven in een computerlokaal (bijvoorbeeld bij een digitaal trapveld of een wijkschool) moet van tevoren de cursus geïnstalleerd zijn. Het leer/werkboek geeft precies aan hoe de cursus geïnstalleerd moet worden. De computer werkt overigens het snelst indien het volledige programma op de harde schijf wordt gekopieerd en er dus geen CD meer nodig is.
  • Indien de cursus thuis wordt gegeven, moet er voor gezorgd worden, dat men in ieder geval over een adequate computer beschikt. Het kan zijn dat men reeds over een computer beschikt, dan wel dat er een regeling is om tijdelijk een computer te kunnen gebruiken. Een eenvoudige computer: Pentium, 128 M geheugen, Windows 98 met geluidskaart en luidsprekers voldoet. De begeleider moet nagaan of de computer voldoet en, indien dit niet het geval is, de coördinator waarschuwen.
  • Met de begeleiders moet eerst het volledige raamwerk van het programma zijn doorgenomen. Zij moeten precies weten wanneer de computer gebruikt wordt en hoe de totale opzet van het programma is. In veel gevallen zullen de begeleiders ook moeten helpen bij het bedienen van de computer. Zeker oudkomers hebben vrees voor het werken met een computer. Zij moeten weten dat de cursus bestaat uit een eerste Hoofdstuk “De eerste stap” met daarop 8 Hoofdstukken. Zij moeten weten dat die 8 hoofdstukken steeds op dezelfde wijze zijn ingedeeld en wel in 6 lessen die in 2 weken moeten worden doorgenomen.
  • Met de begeleiders moet in ieder geval “De eerste stap” en Hoofdstuk 1 volledig worden doorgenomen. Alleen zo is duidelijk hoe de cursist afwisselend moet werken met (1) computer en (2) het leer/werkboek en (3) de zogenaamde "vrije oefeningen die gericht zijn op communicatie".
  • De coördinator moet van een vast tijdschema uitgaan om zo een vinger aan de pols te houden. Dat houdt in dat er op vaste tijden (liefst elke week) er een korte bijeenkomst is van de begeleiders met de coördinator. Indien het project op school draait is er altijd één hoofdcoördinator en een aantal subcoördinatoren (in feite de desbetreffende leerkrachten). Het moet van tevoren duidelijk zijn hoe de taken tussen hoofd- en subcoördinator zijn verdeeld. Dat is met name van belang als het gaat om het geven van instructie aan de begeleiders.
  • Indien het project vanuit een school wordt gedaan moet van tevoren duidelijk zijn (1) welke docenten meedoen, (2) hoe de leerlingen worden geworven (bijvoorbeeld via een speciale voorlichtingsbijeenkomst), (3) hoe het project wordt gewaardeerd (bijvoorbeeld als onderdeel van een portfoliosysteem), (4) welke positieve stimuli worden gebruikt voor zowel docent (bijvoorbeeld extra tijd, speciale voorzieningen, enz.) als leerling (bijvoorbeeld: het project telt mee voor het vak Nederlands), (5) hoe de ouders worden ingelicht (bijvoorbeeld tijdens een speciale ouderavond); (6) wat de kosten zijn.
  • Indien het project vanuit een vereniging wordt gecoördineerd moet van te voren duidelijk zijn: (1) hoe de voorlichting zal plaatsvinden (bijvoorbeeld via de gebruikelijke voorlichtingskanalen), (2) wanneer men zich kan aanmelden, (3) wat de eventuele kosten zijn, (4) hoe de selectie m.b.t. begeleiders plaatsvindt. Uiteraard is er ook hier weer een hoofdcoördinator die er voor zorgt dat de begeleiders van tevoren de juiste instructie ontvangen.

    terug naar begin




    Bevindingen bij eerdere experimenten
    In het voorafgaande werden enkele kritische succesfactoren benoemd. Uiteraard zijn die niet uit de lucht komen vallen. We geven nu enkele bevindingen van eerste experimenten.

    Het eerste experiment: geef het materiaal zonder begeleiding mee aan leerlingen
    Bij een eerste experiment werd het materiaal vrijwel zonder enige toelichting/begeleiding aan een groep leerlingen meegegeven. Meer in het bijzonder was er geen startbijeenkomst waar de opzet volledig uit de doeken werd gedaan, er een voorbeeld werd uitgewerkt en het programma (de CD) werd verkend.
    Het materiaal is zoals bekend in hoofdstukken ingedeeld en ieder hoofdstuk bestaan uit 6 lessen. Bij iedere les is er een eenvoudig evaluatie formulier met 2 vragen:
    • vraag 1: was het eenvoudig/normaal/moeilijk?
    • vraag 2: was het weinig/normaal/veel?


    Aan de hand van de ontvangen formulieren kon worden nagegaan hoe het onderwijsproces verliep. De eerste 2 maanden waren alle formulieren “juichend”: de antwoorden waren bijna unaniem: eenvoudig en wat betreft hoeveelheid “normaal”. Hierna vond een kerstreces plaats. Opvallend genoeg traden hierna problemen op in de zin van voortijdige uitval. De leerlingen hadden een paar weken geen les gegeven en de ouders hadden dus eveneens geen les ontvangen. Om de draad hierna op te pakken bleek voor velen moeilijk.

    We hebben in een evaluatie de volgende conclusies getrokken:
    • uit het feit dat de evaluatieformulieren in de eerste 2 maanden opvallend positieve resultaten toonden mag geconcludeerd worden dat het materiaal voor de doelgroep als start zonder twijfel goed te gebruiken is;
    • uit het feit dat ondanks die goede resultaten toch uitval optreedt mag geconcludeerd worden dat een goede voorlichting en begeleiding van de begeleiders zelf van het grootste belang is. Het opbrengen van een zekere discipline is zowel voor de leerling als ouder van doorslaggevend belang. Het is dus noodzakelijk dat er - bijvoorbeeld iedere week - begeleidingsbijeenkomsten zijn tussen begeleider en schoolcoördinator. Ook een startbijeenkomst zodat de leerlingen overzicht en inzicht krijgen, is van groot belang.




    terug naar begin

    Vervolg Rotterdam
    Overigens merken we hierbij op dat het project "Nederlands Thuis" nu in Rotterdam in “een grotere versnelling is gezet”. Dat is mogelijk omdat de rsg. G.K. van Hogendorpschool een duidelijke profilering als wijkschool voor de wijkgemeenschap wil nastreven. In overleg met de deelgemeente Delfshaven en de wijkvereniging Delmatur (Delfshaven- Marokko-Turkije) wordt nu met het inmiddels verder uitgewerkte materiaal een cursus "Nederlands Thuis" voor de wijk opgezet. Ook het opnemen van Nederlands Thuis als onderdeel van een portfolio voor het vak Nederlands (zodat leerlingen ook een “positieve betaling” krijgen voor de begeleiding van hun ouders) wordt verder bestudeerd.

    Een tweede experiment Breda
    De gemeente Breda heeft een tweede experiment gesubsidieerd. Dit project wordt onder leiding van het ROC Baronie College te Breda uitgevoerd. Het project kent twee invalshoeken:
    • verdere evaluatie van de inhoud en de opzet, en
    • het vinden van deelnemers.

    De eerste component wordt mede gedaan op grond van de expertise van dit ROC met betrekking tot NT2-onderwijs.
    Het onderzoek is nog niet afgerond, maar gezien het belang van "Nederlands Thuis" worden hier een aantal bevindingen gemeld:


    (1) ten aanzien van de didactische opzet
    Op grond van de ervaringen rond NT-2 werd besloten om een hoofdstuk toe te voegen. Dit hoofdstuk draagt als titel “De eerste stap”. Het gaat om een eerste kennismaking met woorden en letters en wel volgens de zogenaamde globaalmethode. Daarna start hoofdstuk 1 met meer letters en woorden. Tot en met hoofdstuk 6 gaat het om zeer eenvoudige woorden die zogenaamd klankzuiver zijn. Bovendien werd besloten om de 3 boeken: leerboek, werkboek en begeleidingsboek in elkaar te schuiven. Daarbij werd de opzet van het begeleidingsboek aanmerkelijk vereenvoudigd. Ook het taalgebruik in het begeleidingsboek is bijgesteld: er worden korte zinnen zonder moeilijke woorden gebruikt.

    Overigens lijken ook hier de eerste ervaringen van de deelnemers beslist positief uit te vallen. Merkwaardig genoeg is het grootste probleem dus niet de didactische aanpak, of de didactiek opzet van het materiaal zelf, maar het vinden van de deelnemers.

    terug naar begin

    (2) problemen bij het vinden van deelnemers
    Een opvallend punt in het experiment van Breda, is de ervaring hoe moeilijk het is om deelnemers te vinden. Het is duidelijk dat men niet zomaar een docent Nederlands kan opleggen om het project “Nederlands Thuis” als onderdeel van een portfoliosysteem voor het vak Nederlands op te nemen. Dat is geen beschuldiging maar een constatering. Wie "Nederlands Thuis" op scholen wil invoeren zal dus zorgvuldig moeten kijken naar:
    • de wijze hoe de leiding tegenover invoering van de methode staat;
    • het eventueel invoeren van positieve stimuli, bijvoorbeeld dat tegenover het uitvoeren van het project extra vergoedingen staan of dat er extra uren voor worden vrijgemaakt, etc.
    • het aanstellen van een centrale coördinator die van te voren geïnstrueerd moet worden;
    • dat de leerkrachten die daarna de leerlingen begeleiden ook instructie moeten krijgen. Overigens merken we hier op dat het ROC Baroniecollege Breda als hoofdaannemer van "Nederlands Thuis" het traject “train de trainer” invult.



    terug naar begin


    Contacten ROC’s en wijkverenigingen
    Met betrekking tot het vinden van deelnemers moet worden opgemerkt dat veel ROC’s in eerste instantie gericht zijn op het geven van NT2-onderwijs binnen hun muren. De ROC’s vormen in die zin dus niet het vanzelfsprekende aanspreekpunt voor wijkverenigingen die zich met nascholing voor oudkomers bezighouden.
    Op dit moment vormen alleen de gemeentes het logische aanspreekpunt voor wijkverenigingen. Wijkverenigingen kloppen uiteraard ook bij de gemeente aan voor het verkrijgen van subsidie. De gemeente heeft in ieder geval zicht op deze verenigingen.

    Voor een verder welslagen van de inburgering, is het dan ook van het grootste belang dat de gemeentes zich bezinnen op de interface “wijkvereningen en onderwijskundige expertise NT2-onderwijs”. Natuurlijk is het bekend dat het kabinet de ROC’s niet meer het alleenrecht met betrekking tot NT2-onderwijs wil geven. Dat staat echter los van het beleid dat gemeentes kunnen entameren. Onze conclusie is in ieder geval helder: wil men de inburgering tot een succes maken, dan zal “de samenwerking tussen wijkverening en onderwijskundige NT2-expertise” in een helder plaatje moeten worden uitgewerkt. Gezien de opgedane ervaring van de ROC’s, zullen deze voor de gemeentes toch altijd een aanspreekpunt zijn.

    Er zijn een aantal mogelijkheden om “positieve prikkels” te geven zoals:
    • opname van het project "Nederlands Thuis" in een portfolio voor het vak Nederlands (vooral van belang voor leerlingen alsmede voor de ouders die hun kroost een goed punt gunnen);
    • het geven van een kleine vergoeding (bijvoorbeeld 10,-) per instructiebijeenkomst tussen begeleider en ROC-coördinator c.q. vrijwilliger uit de wijkvereniging. Dit laatste is gedaan en blijkt voor enkelen inderdaad een stimulans te zijn.



    terug naar begin


Een nieuwe aanpak

voor alledaagse situaties

voor alledaagse situaties



voor alledaagse situaties

  © Albert Sickler bv - All rights reserved.